Anatomie van een StadAsli Çiçek in gesprek met Murat BelgeAsli Çiçek: Istanbul heeft een heel levendig verleden, een geschiedenis van 2500 jaar als metropool. Heeft dit de stad niet vermoeid? Zouden we kunnen zeggen dat dit de oorzaak van Istanbuls huidige conflicten is? Murat Belge: Men moet voorzichtig omspringen met het gebruik van uitdrukkingen zoals ‘vermoeid zijn’ voor steden of maatschappijen. Op een bepaalde manier zouden ze kunnen vermoeid zijn, maar deze vermoeidheid zou zich wel op een andere manier manifesteren, haar oorzaken en plaatsvinden zouden verschillend zijn. In feite is er geen enkele reden waarom een volledige stad vermoeid zou raken. Sommige delen kunnen uit de mode raken, maar na verloop van tijd weer ‘in’ worden. De gemeenschap die de stad bewoont, en de relatie tussen de stad en de gemeenschap, zijn essentieel. Vanuit dit oogpunt kunnen we zeggen dat Istanbul op sommige vlakken vermoeid is, maar dat het op andere – integendeel – een jonge, energieke stad is. Door ‘vermoeidheid’ aan te halen doelde ik op het onvermogen van de stad om tegemoet te komen aan haar omvang en explosieve groei. Na de installering van de nieuwe Turkse republiek in 1923, was Istanbul voor de eerste keer in haar geschiedenis niet langer de hoofdstad. Niettegenstaande was ze toen, en nu nog steeds, de bestemming voor migranten vanuit heel Turkije; haar “gesteenten en aarde zijn van goud”, is hoe velen haar beschreven. Maar de stad is niet meer enkel glitter en glamour. Ze is ook een grote chaos, maar wel een mooie. Als we een onderscheid zouden maken tussen het oude en nieuwe Istanbul, moeten we toegeven dat het oude Istanbul niet kon torsen wat er met haar gebeurde. We kunnen bijna zeggen dat ze ‘opgaf’. Ze gaf op aan een foute modernisering, en haar aanblik veranderde letterlijk. Wat er ooit was, is er niet meer, en wat er nooit was is er nu wel. Vandaar dat de stad niet omkon met wat er gebeurde. Wat bedoel je met “foute modernisering”? Daarmee doel ik op het vooroordeel dat een moderne stad uit beton gebouwd zou moeten zijn. Door dit vooroordeel wordt bijvoorbeeld het gebruik van hout als een aanpassing aan de omgeving volledig buiten beschouwing gelaten. Hout wordt spijtig genoeg beschouwd als het symbool van onderontwikkeling. Vandaar dat dit materiaal uit het oog wordt verloren. Vele voorbeelden hiervan zijn niet enkel in Istanbul terug te vinden, maar in heel Turkije. Wanneer begon deze “foute modernisering”? Ik werd geboren in 1978 en tegen de tijd dat ik het goed en wel besefte, was het reeds aan de gang… Het begon voornamelijk in de jaren ’60. Natuurlijk waren er ook al voor dit tijdstip betonnen gebouwen. In de musical Lüküs Hayat, geschreven in de jaren ’30, vinden we een verlangen terug naar “een leven in een nieuw flatgebouw in Sisli” als het symbool van een comfortabel leven. Maar tegen die tijd was een betonnen flatgebouw niet meer zo afgrijselijk dat het ons zou geïrriteerd hebben. Deze betonnen bouwsels werden overal ter wereld opgetrokken, en het was dan ook normaal dat een stad als Istanbul er ook had. Maar de gebouwen met de goedkope “BTB gevels” (een soort van glazen mozaïek, in Turkije aangebracht op gevels), die wel woningen pretendeerden te zijn maar eigenlijk op geen enkele manier leefbaar waren, werden vooral in de jaren ’60 gebouwd. Bijvoorbeeld gebieden zoals Moda waren de eerste slachtoffers van die typologie. Op dat moment was Moda een klein plaatsje aan de Aziatische kust. Mensen bouwden daar huizen met maximum twee verdiepingen en met kleine tuinen, en het waren in feite de kinderen van diezelfde mensen die deze huizen vernietigden, om in die pittoreske buurt flatgebouwen van zes of zeven verdiepingen neer te poten. Omdat ik van Moda afkomstig ben, heb ik dat van zeer nabij kunnen gadeslaan. In de kortste keren was het gebied onherkenbaar geworden. Nadien hielden dergelijke incidenten niet meer op. Of was het zo dat niemand ze nog kon tegenhouden? Het gebied dat ik als voorbeeld aanhaalde was zelfs in een welvarende en rijke buurt gesitueerd. Na Moda werd de gehele zone van aan Bagdat Street tot aan Bostanci, en zelfs tot aan Pendik aan de Aziatische zijde, ingepalmd door dat soort van modernisering. Terwijl ik me afvroeg wat er aan de hand was met Moda, kon ik nog steeds van aan Todori’s taverne in Kalamis (aan de Aziatische kust) naar mijn huis in Göztepe (de hoger gelegen gebieden aan de Aziatische zijde) wandelen, zonder de straten te gebruiken, maar door van tuin tot tuin van de residenties te springen. Deze gebieden waren toen nog zo ‘onaangeraakt’, maar in niet meer dan vijftien jaar veranderden ze ook volledig. Wat je vertelt is je moeilijk in te beelden in het Istanbul van vandaag de dag. Ik wil niet in nostalgie vervallen, maar mijn generatie kon de geneugten om in de Bosporus te zwemmen of terug naar huis te wandelen door tuinen, niet beleven. Misschien heeft Istanbul voor ons nu andere aantrekkelijkheden ondanks haar chaos. We kunnen immers niet ontkennen dat het een heel speciale, unieke stad is, en ook altijd geweest is. Op het eerste zicht lijkt de meest voor de hand liggende reden voor haar nu al eeuwenlange uniciteit, haar strategische geografische positie. Maar zijn er geen andere redenen? Çanakkale bijvoorbeeld is ook aan een waterweg gesitueerd – wel een bredere tussen de Middellandse en Zwarte Zee –, maar werd nooit een stad als Istanbul. Om de uitzonderlijke positie van dit gebied te begrijpen, kunnen we teruggrijpen naar mythologische gronden. Hiervoor zijn er twee verhalen terug te vinden: het eerste verhaalt de migratie van Io naar Anatolië, waarna het gebied de Bosporus werd genoemd, de ‘koe-bergpas’ (Bosporus komt van bous: koe, phorus: bergpas. Volgens het verhaal werd Zeus’ geliefde Io in een koe veranderd om beschermd te worden tegen de woede van Hera, en ontsnapte ze over het water naar Anatolië). Het tweede verhaal gaat over de migratie van de argonauten, die daarbij dit gebied doorkruisten op weg naar de Zwarte Zee. Welnu, dit zouden louter en alleen mythologische legenden kunnen zijn, maar mythologie vertelt ons steeds iets meer: het eerste verhaal verwijst naar de overgang tussen twee continenten, het tweede tussen twee zeeën. Dus Istanbul lag precies in het midden… Inderdaad. Natuurlijk vertoont Çanakkale gelijkaardige geologische factoren, dus waarom is daar geen stad zoals Istanbul? Het is zo dat een van de meest belangrijke steden uit de Oudheid, namelijk Troje, gesitueerd was in Çanakkale. Het lag niet meteen aan de waterweg, maar het gebied had wel een gelijkaardige belangrijkheid. Maar, wat Çanakkale niet heeft, is de Gouden Hoorn. Die smalle landtong maakt een groot verschil uit. Ze zorgt voor een uitzonderlijke haven, die andere steden met gelijkaardige geografische situaties niet hebben. De stad werd gesticht op het schiereiland tussen de Gouden Hoorn en de Marmara Zee. Later resoneerde op verschillende wijzen in de ontwikkeling van de stad op dit schiereiland, de ontwikkeling van Rome door. Op dat moment werden er pogingen ondernomen om Rome te imiteren door steden op zeven heuvels te bouwen. Eigenlijk was het allemaal een beetje oppervlakkig, maar de stad moest Rome op een of andere manier weerspiegelen… Toch is het zo dat het begin van Istanbuls geschiedenis ons terugleidt naar de ‘westerse’, of eerder Europese en christelijke cultuur. Onder de soevereiniteit van het Ottomaans Rijk werd de stad beïnvloed door een eerder ‘oosterse’, islamitische cultuur. Maar na de oprichting van de seculiere Turkse republiek in 1923, richtte Istanbul zijn blik terug naar het Westen. Kunnen we zeggen dat Istanbul in de 20ste eeuw in beslag werd genomen door een voortdurende zoektocht naar haar identiteit, die laveerde tussen het Oosten en het Westen? Wel, ‘west’ en ‘oost’ zijn vast en zeker relatieve termen. Maar hun symbolische betekenis, waardoor ze meer dan een geografische situatie aanduiden, ontstond in feite met de stichting van Istanbul. We kunnen deze symbolische betekenis in het verleden terugtraceren tot aan de separatie van het Oost- en West-Romeins Keizerrijk. Daarvoor gebruikte men de woorden ‘west’ en ‘oost’ niet met het oog op culturele associaties. Men zou wel onderscheidingen kunnen gemaakt hebben zoals tussen ‘geciviliseerd’ en ‘barbaars’. Maar de barbaren kwamen niet enkel uit het oosten, ze bestonden ook in het westen. Rigoureuze verwijzingen naar een cultuur en gedragspatronen waren nog niet duidelijk aan de orde. Het ging daarentegen eigenlijk om een scheiding uitgevaardigd van overheidswege, om verschillende gebieden in het Romeins Keizerrijk aan te duiden. Maar dit waren de eerste kiemen van een culturele separatie. Later vervolgde deze scheiding zich langsheen twee verschillende sporen, want Latijn en Grieks werden gelijktijdig aanvaard als de klassieke talen van ieder gebied. De termen ‘Westen’ en ‘Oosten’ begonnen pas nadien op te duiken, wat echter niet betekende dat de westerse wereld beter zou zijn dan de oosterse. Misschien dat iemand uit Oost-Rome die naar mensen uit West-Rome keek, dacht: “Wat voor een onfortuinlijk leven hebben ze daar?”. En iemand uit het Westen zou zich kunnen afgevraagd hebben wat er gebeurde met dat glamoureuze keizerrijk… Maar ook al was het eerst een deel van het Romeins Keizerrijk, Istanbul was en is een Oosterse stad. In geografie wordt dit gebied ‘Levant’ genoemd, wat “Oost-Mediterraan” betekent. Istanbul is de belangrijkste haven van ‘Levant’, en vandaar haar meest belangrijke stad. Pas na aanzienlijke tijd versheen Galata, aan de andere kant van de Gouden Hoorn, als een westerse kolonie op het toneel: lang voordat de Turken er kwamen, vestigden de Genovezen en de Venetianen, die Byzantium en Constantinopolis nog steeds als ‘oosterse’ steden beschouwden, zich op het schiereiland. Maar in de jaren 1050 raakten de kerken verdeeld en verdreven ze elkaar. Zowat dertig jaar later veroorzaakte dit een enorm conflict tussen de lokale bevolking en de Italiaanse handelaars. De plaatselijke bewoners massacreerden de buitenlanders. Een gevolg daarvan was dat er hier geen enkele Italiaan leefde tot aan de Venetiaanse bezetting van de stad in 1204. Nadien werd de stad terug ingenomen door de Byzantijnen. Maar het was onmogelijk om de handel uit te sluiten in zo’n strategische stad. Vandaar dat de buitenlandse handelaars zich op een of andere manier moesten vestigen, zodat er weer distributiekanalen konden geopend worden. Om nog een ander conflict tussen de lokale bevolking en buitenlanders te voorkomen, zonden de Byzantijnen de Italiaanse handelaars naar de andere kant van de Gouden Hoorn. Aangezien de bezetting in 1204 werd geleid door de Venetianen, lieten de Byzantijnen het enkel aan de Genovezen , de grootste rivalen van de Venetianen, toe om zich in Galata te vestigen. Vanaf dan zijn Galata en Pera steeds beschouwd geweest als West-Europese spionnen in deze oosterse stad. De Turken kwamen pas na dit alles. Toen ze hier aankwamen, had de Islam reeds lang haar levenslicht gezien als een oosters fenomeen. De kerk was in een toestand van chaos en had de oosterse christenen, die in Constantinopolis woonden, verlaten. Met de komst van de Turken werd Istanbul dus waarlijk een mengeling van oosterse elementen. Pas veel later, aan het begin van de 20ste eeuw, besloot de nieuwe Republiek Turkije haar blik terug te richten op het Westen. Het land moest van nul af aan beginnen. Atatürk nodigde enkele Europese architecten uit, die besloten hun land te verlaten omwille van een groeiende dreiging van het Duits Nationaal Socialisme. Architecten zoals Bruno Taut hebben les gegeven en gebouwd in het land, en brachten met zich een moderne stijl mee. Als we naar het Istanbul van de jaren 1930 kijken, kunnen we bij sommige gebouwen een westerse toets opmerken, ook al zijn ze niet uitzonderlijk monumentaal of exceptioneel. Was er op dat moment, toen Ankara de nieuwe hoofdstad werd, een urbane planning voor de vroegere hoofdstad? Hebben deze buitenlandse architecten enige invloed gehad op de ontwikkeling van Istanbul? De grotere, monumentale gebouwen zijn eerder in Ankara terug te vinden. Het is ook zo dat ze enkel een stedelijk plan uitwerkten voor de nieuwe hoofdstad, en niet voor Istanbul. Omdat Istanbul steeds bevoordeeld is geweest, of omdat het steeds glamourvol genoeg was geweest? Nee nee, Istanbul was tegen dan totaal niet glamoureus meer. Met de installering van de nieuwe republiek, was Istanbul weer de westerse vijand geworden. Langs de ene kant werd het beschouwd als “ons Istanbul, onze mooie stad”, langs de andere kant als het “heidens Istanbul”, de trouweloze stad van de niet-moslims, de bourgeoisie, de capitulerende intellectuelen. In feite bestaat deze mentaliteit ook vandaag de dag nog, omdat Istanbul zowel voor buitenlanders als Turkse burgers het beeld van het westerse Turkije creëert. Maar ik dacht dat de oorzaak hiervan in de recente geschiedenis terug te vinden zou zijn... Zoals ik al aanhaalde, was die attitude reeds tijdens de eerste jaren van de Turkse Republiek aanwezig: Atatürk kwam gedurende bijna zeven jaar niet naar Istanbul. Ook de politici namen een negatieve houding aan ten opzichte van Istanbul; op dat moment werd er niet geïnvesteerd in de stad. Later kwam Atatürk naar Istanbul en stierf daar, wat een raar toeval is... Tijdens de jaren ’20 was hij vaak op reis om de revoluties in Anatolië te beslechten. Was dit de reden waarom hij Istanbul gedurende zeven jaar niet bezocht, of was het eerder een bewuste beslissing? Het was een bewuste beslissing. De republiek was gesticht in 1923; rond 1930 kwam Atatürk terug naar Istanbul. Voor zover ik weet heeft hij pas op het einde van de Turkse Bevrijdingsoorlog – die van 1919 tot 1922 duurde – dicht bij Izmit, op 150 km van hier gelegen, een verklaring afgelegd tegenover journalisten, maar hij kwam hier in feite gedurende vele jaren helemaal niet. Hij was in de weer met de opbouw van Ankara, dat tegen dan reeds, als in tegenstelling tot Istanbul, “het hart van Turkije” genoemd werd. Op dat moment had Istanbul voornamelijk twee gezichten: Fatih, dat een deel was van het historische schiereiland, en Harbiye, een extensie van Galata. Fatih was de buurt waar onze Turkse kameraden woonden, het “mooie Istanbul”; deze kant, Harbiye, was gekend als het “verfoeilijke Istanbul”. Toch bleef de stad in beweging en groeien. Er worden veel verhalen verteld over het Istanbul van de jaren 1930. Wel, gedurende de jaren ’30 ontstonden er enkele bewegingen onder de bourgeoisie; dit zijn de meer duistere kanten van haar geschiedenis. Vanwege de Eerste Wereldoorlog en de Turkse bevrijdingsoorlog hadden velen van de bourgeoisie Istanbul uit vrije wil verlaten. Niemand zei hen expliciet, “ga weg!”, maar de juiste condities om te vertrekken deden zich voor. Dus niemand zei ook niet “blijf!”... Inderdaad, niemand zei dat. In deze kringen was er zeker en vast ondergronds wat aan de gang, maar eerder op een ‘verborgen’ manier. Naderhand werd de uitsluiting van de bourgeoisie meer zichtbaar, door de invoering van de vermogensbelasting. Maar hoe kon zo’n ‘slechte’ stad later de meest aantrekkelijke plaats van Turkije worden, waar vanuit alle hoeken van het land naar verhuisd werd? Gebeurde die ommezwaai gedurende de jaren ’60, zoals je daarvoor aanhaalde? Er was immers ook een politieke verschuiving tijdens die periode... Neen. Vanaf 1930 tot aan zijn dood in 1938 beschouwde Atatürk Istanbul terug als een plaats waar je werkelijk van het leven kan genieten, en hij begon uiteindelijk de stad vaker te bezoeken. Hij begon zich in de stad zelf te interesseren. In de jaren 1940 wees Ismet Inonu, de tweede president van Turkije, Lüfti Kirdar aan als gouverneur van Istanbul. Met Kirdar begon een fase van urbane planning eindelijk vorm te krijgen. Er blies heel duidelijk een nieuwe wind, in de zin van “laten we onze stad redden met Kirdar”; tot dan was Istanbul echt aan zijn lot overgelaten geweest. Hij maakte bijvoorbeeld een groter plein voor de Nieuwe Moskee in Eminonu, of liet een brede straat aanleggen met grote appartementsgebouwen aan beide kanten, en bomen in het midden; hij liet ook de nabije omgeving volgens plan aanleggen. Dan deed hij ook nog wat andere dingen, maar eigenlijk niet echt noemenswaardig veel. Tegen het einde van de jaren 1950 stak Adnan Menderes, de toenmalige eerste minister, de stad een hand toe. In het begin was hij er niet zo erg mee bezig, hij had andere dingen te doen...Maar zijn houding was zeker niet ‘tegen’ Istanbul. Eind jaren vijftig begon hij met een eigen moderniseringsproces, vergezeld van zijn eigengereide slogan dat “deze grootste, meest prachtige stad van ons, in een betere staat zou moeten zijn!” Hij modderde wat aan in de stad, opende grotere, bredere straten en vertrok dan... Voor zover ik weet is er nooit een stedelijk plan geweest dat zich ophield met een ontwikkeling van Istanbul op lange termijn. Een fantastisch plan uittekenen en plots uitroepen “laten we de stad van nul terug opbouwen!” werkt niet echt zo goed, vooral niet in steden met een lange geschiedenis, zoals Istanbul. Maar in ons geval lijkt het alsof er geen enkel plan langer dan vijf jaar kan meegaan! Vele plannen worden bijna als bommen op de stad neergeploft, waardoor ze veel onbestemde dingen met zich meebrengen, en tegelijkertijd evenveel gewoonweg met de grond gelijk maken. Dat hangt af van welke omstandigheden zich voordoen. In Ankara begon men met de stedelijke planning aan de hand van een lange termijn plan, maar na een tijdje schoven de politici deze plannen gewoon terzijde en gingen hun eigen weg. In Istanbul is er ooit een stedelijk plan uitgedokterd geweest in de jaren ’30, maar nooit uitgevoerd. De eerste te ondernemen stappen van dat plan bestonden bijvoorbeeld uit de transformatie van kleine industriële gebieden in parken, aan de kust van de Gouden Hoorn. De afbraak van vele gebouwen in Tarlabasi (een buurt die vandaag grenst aan het stadscentrum Beyoglu of Taksim, dicht bij Galata), met de bedoeling om er een brede straat aan te leggen zodat het verkeer in Beyoglu zou gecontroleerd kunnen worden, behoorde eveneens tot dit plan. Maar deze stappen werden pas later door Bedrettin Dalan, de burgemeester van Istanbul van 1984 tot 1989, ondernomen. En hij realiseerde ze inderdaad op een zeer ‘luidruchtige’ manier. Als we er op terugkijken, kunnen we zeggen dat deze ondernomen stappen waarschijnlijk de juiste waren – tenminste als we naar deze specifieke gebieden kijken. Maar het was wederom Dalan die de wegen langs de Europese kant van de Bosporus bouwde; toen kreeg hij veel negatieve reacties voor dit en andere projecten. De twee stedelijke ontwikkelingsplannen die ik als voorbeeld aanhaalde, waren plausibele beslissingen. Wat betreft de negatieve reacties waarover je het net had: elke keer wanneer er in ons land iets wordt ondernomen, zijn er altijd mensen die – met een negatieve onderliggende toon – in de eerste plaats vragen waarom het ondernomen moest worden. Maar Dalan beantwoordde deze ‘vragen’ met statements zoals “enkele levantine huizen zullen afgebroken worden, en wat dan nog?”. Kan iemand zo redeneren? Zeg toch iets anders, ik weet niet, iets als “ja, ik ben me er bewust van dat we, ongelukkigerwijze, zullen genoodzaakt zijn enkele huizen af te breken, maar het moet op die manier gebeuren.” Toch behoren enkel de parken in de Gouden Hoorn en de brede straat in Tarlabasi echt tot het plan uit de jaren dertig. Andere projecten, zoals de weg op pilaren die roekeloos voor de Yalis (typische houten huizen gebouwd aan de kusten van de Bosporus) werd neergepoot, waren Dalans eigen ideeën. Zoals we zien bij Dalans reactie, lokt elke discussie over de stedelijkheid van Istanbul altijd veel verschillende beweringen uit, waarbij onmiddellijk polaire opposities worden gecreëerd. ‘Tegen’ de plotse legalisering van illegale gebouwen in de stad zijn, wordt bijvoorbeeld vaak gemakkelijk verbonden aan een gebrek aan begrip, of een onwetendheid betreffende de armoede, die in de eerste plaats uitmondt in zulke bouwschema’s. Op die manier wordt het heel moeilijk om de stedelijke context van zulke discussies te bevatten. Ik veronderstel dat de niet geplande ontwikkeling van Istanbul zulke afwijkingen van het stedelijk discours toelaat. Maar het volstaat niet om dit gewoonweg “niet gepland” te noemen. Naast het gegeven dat dezelfde acties ook kunnen ondernomen worden met een plan, is de hoofdzaak waaruit dat plan bestaat. Voor men een stedelijk plan kan beoordelen, moet een visie voor de stad bediscussieerd worden. In de jaren 1950, pakte Menderes dezelfde dingen als Kirdar aan, maar dan op een grotere schaal. Kirdar had niets verwoest, terwijl Menderes zich inliet met radicalere veranderingen. Op hetzelfde moment nam Menderes ook belangrijke nationale beslissingen in de trant van “autosnelwegen in plaats van spoorwegen”. Auto’s en autosnelwegen werden, naast zoveel andere tekens van de “goede dingen”, symbolen van vooruitgang, comfort, en civilisatie. Met de regeringsperiode van 4Menderes werd dit begrip van vooruitgang in Turkije geïntroduceerd en bestendigd. Een gevolg hiervan was dat Istanbul nood had aan bredere straten, om een progressieve stad te kunnen zijn. De groten wegen langs beide kanten van de Bosporus werden dus snel geplaveid, maar daardoor ook heel onbedachtzaam. Want, laten we wel wezen, hoeveel auto’s waren er trouwens op dat moment in Istanbul? Het aantal was verre van problematisch voor verkeersopstoppingen. In feite waren we tot in de jaren ’60 een agrarische gemeenschap. Misschien was er een poging om een industrie op te bouwen in Turkije, maar er was geen ernstig programma voor; bovendien ontbrak in dit domein elk plan. We kunnen bijna zeggen dat de wil tot industrialisering eigenlijk ontbrak. Tijdens de begintijden van de republiek waren er bijster wat anti-industriële ideologieën onderhuids voelbaar. De politici van toen fnuikten zelfs enkele pogingen die deze richting uitgingen. We waren een gemeenschap van ‘dorpelingen’; het land was van bij het begin zo ontworpen geweest. Laat me je een voorbeeld uit het dagelijks leven geven: in de jaren ’50 kon je nog steeds twee stukken tonijn voor 2,5 lire kopen, wat toen eigenlijk bijna niets waard was. Maar een koelkast was ongelooflijk duur; en van een auto moest men zelfs niet dromen. Na de overgang naar industrialisering in de zestiger jaren, bleef de tonijn niet lang goedkoop meer, maar de auto’s werden wel gemakkelijker aan te schaffen… Ik moet toegeven dat een auto hebben, en ermee toeren op de autosnelweg op pilaren naast de Bosporus, soms erg aangenaam kan zijn! Natuurlijk, maar dit moet gewoon in evenwicht zijn. We kunnen ons de vraag stellen of die autoweg op pilaren, of de ene straat na de andere plaveien, werkelijk de juiste symbolen van progressie waren. Goede verbindingswegen tussen de bergen en bepaalde gebieden aan de kust zouden evengoed als symbolen van progressie kunnen beschouwd worden… Maar werden de plannen niet eerder door politici opgesteld? Hoeveel droegen de architecten of urbanisten eigenlijk werkelijk bij tot de planning uit de Menderes-periode of latere era’s? Architecten konden nooit bijdragen tot deze plannen. Degenen die dingen deden, vroegen nooit iets aan degenen die iets wisten over deze zaken… De stad werd dus vormgegeven volgens persoonlijke idealen en visies. Uiteindelijk ontving Istanbul vorige week architecten van over de hele wereld voor het congres van de UIA (Union Internationale des Architectes). Vooraanstaande deskundigen bediscussieerden de stad, die erg uit de hand gelopen lijkt op het vlak van stedelijke planning. Niettemin kan men zich ook afvragen of de inmenging van enkel architecten werkelijk alles kan oplossen… Ja, maar aan de andere kant is zo’n ingrijpen meer dan slechts ‘noodzakelijk’. We worden geconfronteerd met een enorme boel en niemand weet wat er mee aan te vangen. Er moeten beslissingen genomen worden. Veel gebouwen zouden moeten afgebroken worden. Daar ben ik het mee eens. In de laatste vijftig jaar werden er veel gebouwen opgetrokken in Istanbul in complete veronachtzaming van hun context. Zoals hier naast ons, wordt een enorme ruïne als Park Otel jaren aan haar lot overgelaten. Ze stopten in feite een lange tijd geleden, na vele demonstraties, met haar constructie. Ook Gökkafes, een van de meest recente wolkenkrabbers, kon opgetrokken worden zonder discussies over diens justificatie. Veel enorme buurten en afgrijselijke gebieden zijn op die manier gebouwd geweest. Inderdaad. Gedurende een lange tijd leefde ik in een buurt waar ik het proces van zo’n illegale expansie aan de andere kant van de autosnelweg, vanuit ons vensterraam kon waarnemen. Toen we naar daar verhuisden waren er aanvankelijk alleen wat kleine huizen. Ze zagen er zo idyllisch uit, ze deden me denken aan klassieke, pastorale schilderijen – ze hadden eigenlijk alles wat de wijdverspreide betonnen blokken niet hadden. Na verloop van tijd begonnen stalen verstevigingen als het ware uit de daken te groeien. Niet veel later werden er enkele grote appartementsblokken over heel de berg opgetrokken, en vandaag, na nog geen vijftien jaar, kan de politie noch het stadsbestuur het gebied nog betreden. De plaats heeft nu haar eigen regels, niets kan er nog afgebroken worden. Je kan zelfs het illegaal gebruik van de infrastructuur, waar je heel de tijd voor hebt zitten betalen, niet vermelden – het eindigt slechts in een discussie over “rijk versus arm”… Juist. In Istanbul worden we vaak geconfronteerd met dit type woning. Over de hele wereld blijken er twee geschikte modellen voor behuizing te zijn. Langs de ene kant heb je privé-investeerders die woningen bouwen en hen naderhand verkopen. Maar dergelijk privé-kapitaal bestaat in de meeste landen niet. Vandaar dat dit model enkel gevonden kan worden in rijke kapitalistische landen, zoals het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten. Aan de andere kant is de staat voor dit gegeven verantwoordelijk, wanneer dat privé-kapitaal ontbreekt. Dit tweede model was terug te vinden in het overgrote deel van de socialistische staten. Enkele andere landen probeerden dit model ook toe te passen voor ze de overgang naar het socialisme aanvingen, maar de resultaten waren niet zo duurzaam. Toch zijn de arbeidersbuurten in Wenen goede voorbeelden om dit onderwerp te bestuderen, omdat ze het levende bewijs zijn dat de samenwerking tussen de stad, staat en privé-investeerders kan slagen. In derdewereldlanden zoals Turkije is er noch privé-kapitaal noch een staat die hierin de overhand kan nemen. Dit veroorzaakt een soort van partners-in-crime mechanisme tussen het volk en de staat. De staat zegt eerst “Ik ben niet aan het kijken, doe het”, en dan na een tijd, “Ik aanvaard het” of “Ik verbied het”…Dit is niet enkel het geval bij behuizing. Er zijn een aantal van deze mechanismen aan het werk in de gehele maatschappij, waarbij het leven zich afspeelt op een soort van ‘Mafioso’ manier. Maar ondanks zijn complete chaos en slordigheid, heeft de stad nog steeds enkele buitengewoon mooie plaatsen. Het kan zijn dat ik wat te sentimenteel klink, maar misschien zou deze subtiele pracht gewoonweg verdwijnen, als een nieuw plan om Istanbuls ongecontroleerde ontwikkeling te stoppen zou vragen om een radicale verandering… Dat denk ik niet, helemaal niet eigenlijk. Het hangt er van af wat er beslist zou worden. Het is evident dat regels, die aan Istanbuls specifieke kwaliteiten afbreuk zouden doen, niet aangenomen en toegepast zouden moeten worden. In feite zijn deze onderwerpen zeer delicaat, niet makkelijk om mee om te gaan. In recente discussies over de ontwikkeling van Istanbul bijvoorbeeld, word ik echt geïrriteerd van het voorstel om “de stad meer toeristisch te maken”. Een plaats ‘toeristisch’ maken betekent het wegnemen van de lokale bevolking. Men zou moeten verbieden dat dit gebeurt. Dit gebeurt vast en zeker op vele plaatsen in de wereld; ik kan het niet specifiek aan Istanbul toeschrijven. Het voor de hand liggende idee achter deze logica is om het gebied te verbeteren door het toerisme. Inderdaad, en velen delen dit idee; het is het meest gemakkelijke om te doen! Tegenwoordig stelt het stadsbestuur van de AKP [conservatieve partij in Turkije, red.] andere vragen in het debat, zoals “behoort de stad mij toe, of aan de toerist die van het buitenland zal komen?” – het past allemaal in het plaatje van hun conservatisme. Ik vind dat dit soort uitspraken eigenlijk vrij platvloers en verkeerd zijn. Toch baren zulke uitspraken me zorgen, precies omdat ik de heldere contouren van deze mentaliteit niet zie. Akkoord, “dit is onze stad” lijkt wat ze zeggen; maar natuurlijk wegen ze voor alles hun eigen politieke voordeel af. Op die manier wordt de stad soms zelfs onbruikbaar voor haar eigen inwoners. De inwoners worden gelimiteerd in de manier waarop ze in de stad leven of haar ‘gebruiken’ – laat me een heel simpel voorbeeld aanhalen: de conservatieven in Turkije, vooral van de AKP, hebben het niet zo begrepen op alcohol in publieke plaatsen, wat betekent dat het bars, cafés enz. niet toegestaan wordt om de plaats die ze buiten hebben, te gebruiken. In gebieden bestuurd door conservatieve burgemeesters worden deze reguleringen geruggesteund door argumenten als “schoolkinderen zouden over de tafels kunnen struikelen die op dit plein zijn gezet…” Vooral sinds de laatste verkiezingen is Europa zeer ontvankelijk geweest voor deze conservatieve trant in het Turkse overheidsbeleid. De laatste tijd is er heel wat afgepraat over een “islamitische democratie”, een frasering die sterk lijkt op “christelijke democratie”. Als je opgroeide in het Turkije van de jaren negentig, wanneer deze uitlatingen voor het eerst werden gehoord van ‘politici’ die vandaag deel uitmaken van de overheid, dan is het niet moeilijk om bezorgd te zijn over hun recente, plotse ‘verschuiving’ naar een democratie met een religieuze façade, wat eigenlijk een religieus ‘gedefinieerde’ democratie is. Men zou nog paranoia worden van dergelijke zaken – onnodig misschien, maar toch…Ik kan enkel hopen dat deze mentaliteit echt ooit in iets positiefs zal resulteren… Het is onmogelijk te generaliseren, maar het gros van deze politici ontbreekt het aan verantwoordelijkheid, vorming en educatie om om te gaan met de problemen die we hier bespreken. In dit geval geef ik er eerder de voorkeur aan dat ze conservatief zijn. Wanneer de oppositie, de zogenaamde ‘progressieve’ kant van het politiek spectrum, beslist om “iets nieuws en fris te doen”, weet je nooit wat ze van plan zijn… Dus laat ze hun oude conservatieve zelf maar zijn – van hen weten we tenminste dat ze de dingen enkel willen behouden zoals ze zijn! In zekere zin wel, ja. ‘Conservatisme’ in Turkije is een ander raar ding – de ‘echte’ conservatieven zijn waarschijnlijk de conservatieve partijen van de Noord-Europese landen. Ze hebben zo’n protectionistische attitude, en weten ook hoe dat protectionisme in stand te houden. Vanaf het moment dat je zuidwaarts gaat, wordt alles verwarrender. Gezien dat het onderwerp van onze conversatie nog steeds de stad is, zou ik graag een voorbeeld geven uit Istanbuls architectuur: er is een complex genaamd Haseki Külliyesi, een vroeg werk van Sinan daterend uit de 17e eeuw, dat beschermd werd als historisch gebouw. Voor een of andere reden is het nu een aantal jaar geleden dat ik daar heenging. Nu blijkt dat ze daar iets als een zwembad in de tuin van het complex hebben gebouwd! Een rechthoekig ding bedekt met BTB. Een zwembad integreren in een complex gebouwd door Sinan is toch wel een beetje vreemd, niet? Bovendien zou er op zijn minst toch iemand in aan het zwemmen moeten zijn, maar er was niemand! Er zijn in Istanbul vele visuele conflicten zoals dit. Als je naar de architectuur kijkt van de stad kan je gemakkelijk luxueuze winkelcentra ontdekken op een wandelafstand van vijf minuten verwijderd van extreem verpauperde gebieden. Normaal is het stadscentrum het meest ‘representatieve’ en glamoureuze deel van de stad, en het is pas eventueel rond of net buiten het stadscentrum dat de ‘getto’s’ vorm krijgen. Maar in Istanbul is alles overal. Het doet me een beetje aan Johannesburg denken. Daar is het echte stadscentrum uit elkaar aan het vallen, terwijl de buitenwijken van de stad opgebouwd zijn uit extreem luxueuze winkels. Je ziet daar ook heel veel gated communities, met gewapende wachten ervoor. Mensen uit andere gebieden gaan naar daar om de mensen die er leven te dienen. Ze moeten hun identiteitskaart tonen en bewijzen dat ze huisbedienden zijn van dit of dat huis, om door de veiligheidscontrole te passeren, hun job te doen en het controlepunt weer langs te gaan op hun weg naar huis. Er zijn ook gated communities in Istanbul, en de arme buurten zijn nooit ver heen, zo blijkt. Maar Johannesburg lijkt enkel op deze manier te werken, terwijl Istanbul op verschillende manieren ‘werkt’. Op een ander vlak dan, een beetje meer dan een half jaar geleden werd het museum voor hedendaagse kunst Istanbul Modern aan het gevarieerde ‘landschap’ van Istanbul toegevoegd. Zoals ik daarnet zei, had het UIA congres vorige week plaats in Istanbul; de Istanbul biënnale en verschillende festivals zijn zowel in oppervlakte als belangrijkheid toegenomen. Betekent dit dat Istanbul hard zijn best doet om een centrum voor hedendaagse cultuur te worden? Aan de andere kant heeft Istanbul raar genoeg zelfs geen stadsmuseum. Zelfs in de kleinste Europese steden zal je een museum vinden dat de geschiedenis en huidige situatie van de stad uitlegt… Wel, we kunnen zeggen dat er een poging is om de rol van een cultuurstad aan te nemen, ook al vind ik dit erg laat. Er is inderdaad geen stadsmuseum; minder dan een jaar geleden was er zelfs nog geen museum voor hedendaagse kunst. Door de band genomen is Istanbul heel zwak op dat vlak. Wanneer je het gewoon maar vergelijkt met een vrij gering bevolkte stad zoals Amsterdam – al die cinema’s, theaters en musea… De hoofdreden waarom Istanbul vandaag de dag als ‘metropool’ wordt bestempeld is enkel en alleen omwille van haar populatie en chaos…Het culturele leven waarin de stad voorziet geeft een verkeerde indruk van haar capaciteiten als metropool. Ja, het is een stad die in dat opzicht vergeleken kan worden met Mexico City. Er is een geografische situatie, die als geheel aangeduid wordt met “Istanbul”. Maar in het algemeen is de inmenging met het culturele leven inderdaad erg klein. Er is een anekdote die ik altijd vertel, en die ik ooit zelfs in mijn reisgids voor Istanbul opnam: de zus van de secretaris in ons Departement van Communicatie aan de universiteit, werd geboren en groeide op in Habibler, een afgelegen buurt in hedendaags Istanbul – ze zag de zee pas voor de eerste keer toen ze dertien was en haar grootvader haar naar Gülhane Park had meegenomen tijdens een public holiday. Tot aan haar dertiende had ze haar leven doorgebracht in Habibler. Je kan je onmogelijk inbeelden dat zoiets in bijvoorbeeld Londen zou gebeuren. Aan de andere kant: als alle mensen hier in Istanbul zouden proberen te leven zoals men leeft in Londen, dan zou alles gewoonweg in elkaar stuiken. We zeggen altijd dat de verkeersopstoppingen in Istanbul ongelooflijk zijn; er zijn niet genoeg wegen enzovoort; Maar als we het aantal auto’s per persoon dat ze in Londen hebben, loslaten in de straten van Istanbul, dan zou niemand in staat zijn ook maar iets te doen, je zou gewoon niet meer kunnen bewegen. Is het door financiële moeilijkheden dat de stad niet veel initiatief neemt op het vlak van culturele aangelegenheden, of niet over deze zaken communiceert met haar inwoners? Anderzijds zijn er in nog armere landen soms duidelijke pogingen om de culturele status van de stad op te krikken, sponsors te vinden, een stad op te bouwen, er een of ander symbool van te maken, en de algemene interesse van het publiek in dergelijke zaken te laten toenemen… Geld is zeker een van de problemen, maar niet het enige. Een relatie opbouwen met de omringende ruimte, met het leven zelf, in dit leven opgenomen worden, en er niet buitengesloten te zijn – al deze dingen maken de redenen uit voor dit ‘tekort schieten’. Maar Turkije lijdt ook onder zijn hoog bevolkingsaantal. Onder het motto “we zullen een groot land zijn”, werd de toename van de bevolking steeds aangemoedigd, gebaseerd op de assumptie, typisch voor dit soort van mentaliteit, dat grootsheid kon of zou moeten gemeten worden in termen van kwantiteit. Vandaag de dag is dit wat geluwd en tendeert het naar een stabilisering, maar tot voor zeer kort nam de populatie onophoudelijk toe. Het gegeven van deze hoge populatiecijfers is zoals een fontein zonder basis. Turkije heeft een gelimiteerde productiecapaciteit: de bevolking consumeert eigenlijk veel meer dan het land in staat is te produceren – het is werkelijk een beetje zoals drijfzand: het zuigt gewoonweg alles op dat erin gedumpt wordt, en verzwelgt het dan compleet! Daardoor is alles gelimiteerd tot het voorzien in basisbehoeften. Zoals bij die gebouwen waar stalen verstevigingen uit het dak groeien in afwachting van verdere bebouwing: het kan allemaal door de beugel dat deze gebouwen zonder bepleisterde gevels worden achtergelaten, ze kunnen immers toch ook na vijf jaar bepleisterd worden. Wie gaat er, in een omgeving waar zelfs het bepleisteren van een gebouw er niet werkelijk toe doet, over esthetiek spreken? Wie durft er ook maar een punt van maken – en waarom? En zo gaat het maar door…Cultuur is niet iets dat je gewoon later kan ‘inplanten’, of dat vanuit zichzelf in iemands leven komt. Het is heel moeilijk om iemands leven veel later aan te passen, als het ooit zo richtingloos begon. Maar dit feit is veel scherper waar te nemen in plaatsen buiten Istanbul. Toen ik voor de eerste keer naar Van ging, bezocht ik enorm veel gebouwen, maar kon ik zelfs geen enkele trap met identieke treden oplopen… In tegenstelling tot andere Turkse steden (en daar spraken we in het begin over), representeert Istanbul het westers gezicht van Turkije. Vooral in de context van het huidige EU-gerelateerde debat, kwam Istanbuls voortdurende zoektocht naar een identiteit op de meest concrete manieren in de schijnwerpers te staan. Het deed me denken aan het beeld van een man die naar het oosten loopt op een boot die naar het westen vaart. Ik wil zeker de stad niet ‘beschuldigen’ of zo, of haar ‘culturele’ betekenis overdrijven, maar laten we gewoon aannemen dat ze niet in Turkse handen was gebleven na de Bevrijdingsoorlog in 1922, en dat Turkije bijgevolg zou begonnen zijn aan de Anatolische kant. Zou het land vandaag de dag hetzelfde ‘potentieel’ hebben om opgenomen of ‘geïntegreerd’te worden in de EU? Zou het een even verhit debat of een bezorgdheid oproepen zoals vandaag? Of zou dit een overschatting van Istanbuls feitelijke betekenis zijn? Nee, dat zou ik geen overdrijving of overschatting noemen. Maar dat is waarom mensen zeggen: “heidens, goddeloos Istanbul, we zouden beter af zijn zonder haar”. Het zou zo fijn zijn om gewoon tussen onze vuiligheid te leven met niets anders dan onze grootsheid, niet? Dus nu worden we verplicht om “de andere kant” op te kijken… 9 juli 2005, Istanbul MURAT BELGE werd in 1943 geboren in Ankara. In 1966 studeerde hij af aan het Departement Engelse Literatuur van de Istanbul Universiteit. Daar werd hij in 1980 docent, een betrekking die hij na een jaar verliet. Hij was mede-oprichter van de tijdschriften Halkin Dostlari en Birikim, en schreef ook voor de kranten Demokrat en Cumhuriyet . Momenteel is Prof. Dr. Belge hoofdredacteur van het Iletisim Publishing House en Yeni Gündem, een wekelijks politiek magazine, en schrijft hij voor de krant Radikal. Hij is hoofd van het Departement Vergelijkende Literatuurstudie aan de Bilgi Universiteit, Istanbul, en auteur van meer dan twintig boeken over politieke wetenschappen en sociologie: 12 Years Ago 12th of September; Other Cities Other Seas; Essays on Literature; Marxist Aesthetics; Socialism, Turkey and the Future; Turks and Kurds: From Where to Where?; The Nearer The Further? EU and Turkey. Zijn reisverhalen bundelde hij in Blue Cruise en de Istanbul Travel Guide. ASLI CICEK werd in 1978 in Istanbul geboren. Nadat ze afstudeerde van de Duitse middelbare school Istanbul Lisesi, werkte ze voor het architectenbureau Project Studio in Istanbul. In 1997 ging ze naar München om er interieurvormgeving aan de Academie voor Beeldende Kunsten te studeren. Tijdens deze studies, werkte ze voor Aigner Architects and Allmann Sattler Wappner Architekten. Nadat ze afstudeerde werkte ze als lesgever-assistent aan de Faculteit van Architectuur van de Bahcesehir Universiteit in Istanbul. In 2004 verhuisde ze naar Rotterdam waar ze voor de Ooze Architecten werkte; ze vervoegde ook het ontwerpersteam van Dietrich Untertrifaller Architekten in Wenen, voor een wedstrijdproject. Momenteel werkt ze als freelancer voor Gigantes Zenghelis Architecten in Brussel; ze schrijft ook regelmatig voor het Turkse architectuurtijdschrift XXI. |
||||