Na het Noord-Atlantisch PactOp weg naar een Euro-Mediterrane UnieDieter LesageIn discussies en debatten over de Euro-Mediterrane regio, valt vroeg of laat de vraag of men het überhaupt wel een regio kan noemen. Natuurlijk vooronderstelt een dergelijk scepticisme een bepaald concept van wat een ‘regio’ nu precies is. Velen menen dat wat ontbreekt, opdat het mogelijk zou zijn om het Mediterraan Gebied als een regio te beschouwen, enige vorm van culturele identiteit is. Is het Noordelijk Mediterraan Gebied immers niet erg verschillend van het Zuidelijk Mediterraan Gebied? En is het Oostelijk Mediterraan Gebied ook niet erg uitzonderlijk? Een bepaald type van Euro-Med scepticisme zegt dus dat er geen Mediterrane regio is, omdat de veronderstelde regio eenvoudigweg geen identiteit heeft. Een ander type Euro-Med scepticisme gaat nog verder: in de voetsporen van Samuel Huntingtons stelling over de clash der beschavingen, poneren ze dat er niet enkel een gebrek aan identiteit is in het Mediterraan Gebied, maar nog erger: het Mediterraan Gebied is een slagveld, het gebied waar westerse, islamitische en orthodoxe beschavingen elkaar bekampt hebben, en vroeg of laat opnieuw met elkaar in aanvaring zullen komen. Het denkbeeld dat regio’s een identiteit hebben, of het denkbeeld dat een grondgebied enkel als een regio kan beschouwd worden als dit grondgebied een duidelijk omlijnde culturele identiteit heeft, is een koppig paradigma dat populair is onder vele politici en politiek afgevaardigden, zowel op het regionaal niveau dat infranationaal is, als op het regionaal niveau dat supranationaal is. Hier werpt zich inderdaad de aantekening op dat het politieke concept van de regio nogal ambigu is. Langs de ene kant zijn er regionalisten die geloven in de culturele identiteit van hun regio, en haar dan ook tegelijkertijd creëren, waarbij ze in sommige gevallen een agenda hebben die competitief, antagonistisch of extreem conflictueus is met het politieke niveau van de natiestaat, waarvan die regio een deel is. Deze regionalisten zijn meestal heel actief in de discussie omtrent het “Europa der regio’s”, en niet verwonderlijk vaak de aanhangers van autonome of separatistische tendensen in sommige van deze regio’s. Langs de andere kant zijn er regionalisten die Europa zien als een regio op zichzelf. In tegenstelling tot de politieke horizon van de infraregionalist, is die van de supraregionalist noch een bepaalde natiestaat noch de Europese Unie zelf, maar de wereld. Opnieuw kan men het onderscheid maken tussen twee types van Europese supraregionalisten, politici, functionarissen, en opiniemakers, die Europa als een regio definiëren. Voor één type supraregionalist is Europa een regio omwille van zijn specifieke culturele identiteit, in vergelijking met andere regio’s in de wereld. Er zou een Europese eenheid zijn die de diversiteit van zijn constitutieve elementen, namelijk de Europese naties en volkeren, behelst. Dit is het soort regionalist dat zich voornamelijk zal inlaten met discussies zoals deze over de grenzen van de Europese Unie. Dit is ook de regionalist die de geschiktheid van landen om lid te kunnen worden van de Europese Unie, primordiaal zal afwegen aan de hand van culturele maatstaven. Voor dit type van regionalist vormen de ambities van Turkije om een lidstaat van de EU te worden hoogstwaarschijnlijk een probleem. Hij zou hiervoor kunnen verwijzen naar het christelijke karakter van de Europese Unie, en redeneren dat een land met een meerderheid aan moslims niet past binnen de Europese identiteit. In elk geval, het voorbeeld van Turkije helpt ons het onderscheid te verduidelijken tussen de identitaire Europees supraregionalist en wat men de positionele of geopolitieke Europees supraregionalist zou kunnen noemen. Dit is de supraregionalist die voornamelijk de positie van Europa op het toneel van de wereldpolitiek wil definiëren. Je hebt dus bijvoorbeeld een Europees regionaal discours dat stelt dat Europa een gemeenschappelijke buitenlandse politiek en defensiepolitiek zou moeten voeren. Bijgevolg pleit dit discours ook voor een Veiligheidsraad, die niet zoals nu zou samengesteld zijn uit vijf permanente en tien niet-permanente lidstaten, maar uit regionale vertegenwoordigers, waarvan de Europese Unie er één zou zijn. Voor dit type van Europees regionalist staat de Europese Unie ook model voor de integratie van andere regio’s, waarbij ‘regio’s’ bijna een synoniem wordt voor ‘continenten’. In tegenstelling tot het identitaire perspectief, is deze supraregionalist vanuit een geopolitiek standpunt geneigd Turkije’s lidmaatschap tot de Europese Unie te verdedigen. Wel, laten we nu even nagaan welke verschillende groepen tot hiertoe de politieke conversatie in mijn ingebeelde Club Euroméditerranée animeren: we hebben de differentialistische Euro-Med sceptici, de conflictueuze Euro-Med sceptici, de identitaire, autonome of separatistische Europese infraregionalisten, de identitaire Europese supraregionalisten, en de geopolitieke Europese supraregionalisten. Is dit nu alles? Zijn we dan niemand vergeten? Als je sceptici hebt, heb je immers ook ‘believers’. Er moeten dus ook aanhangers van Euro-Med zijn. Welnu, dit is ook zo. Maar men moet heel precies begrijpen wat het betekent om in het Mediterraan Gebied te ‘geloven’. Het is namelijk zo dat in alle uiteenzettingen en rapporten aangaande het Mediterraan Gebied, er omwille van voor de hand liggende redenen, veel aandacht uitgaat naar het gegeven van religie. Er is bijvoorbeeld het ‘Report by the High-Level Advisory Group established at the Initiative of the President of the European Commission’, daterend van 2003, dat onder andere adviseert om in het onderwijs meer aandacht te schenken aan de vergelijkende studie van religies als een onderdeel van de ‘Dialoog Tussen Volkeren en Culturen in het Euro-Mediterrane Gebied’, dat de Adviseringsraad beschouwt als een implementatie van de culturele en educatieve aspecten van het zogenaamde ‘Barcelona Proces’. Hoe dan ook, wanneer we spreken van Euro-Mediterrane believers, referen we niet naar alle mensen in het Mediterraan Gebied die zichzelf beschouwen als aanhangers van een of ander geloof, maar wel naar politici, officiële instanties, en opiniemakers, die geloven in deze specifieke regio. Euro-Med believer hebben niet noodzakelijk onenigheden met differentialistische Euro-Med sceptici. Het is perfect mogelijk tegelijkertijd niet te geloven in een Euro-Mediterrane identiteit, maar wel in deze regio. Om in het Mediterraan Gebied te geloven, moet je er niet overtuigd van zijn dat deze regio een identiteit heeft. In die zin is het perfect mogelijk dat je zowel een Euro-Med believer als een differentialistische Euro-Med scepticus bent. Maar wat in elk geval wel onmogelijk is, is om zowel Euro-Med believer als conflictueus Euro-Med scepticus te zijn. Of, om het anders te verwoorden: geloven in het Mediterraan Gebied is niet geloven in de clash der civilisaties. Daarom moet het geloof in Euro-Med beschouwd worden als een geopolitieke filosofie, die het oneens is met de wereldvisie van Samuel Huntington. Het spreekt ook voor zich dat het officiële, regionale Euro-Med discours, dat handelt over en gelooft in het Euro-Mediterraan Gebied, een regionaal discours is op supranationaal niveau, en niet op infranationaal niveau. Het ‘Barcelona Proces’ is Euro-Med taalgebruik voor het proces van de ontwikkeling van ‘amicale relaties’ tussen de Euro-Med landen, die geïnitieerd werden met de Barcelona Declaratie, opgesteld tijdens de conferentie van de EU en Mediterrane buitenlandse ministers, die gehouden werd in Barcelona op 27-28 november 1995. Deze amicale relaties moesten de vorm aannemen van drie types van partnership: allereerst samenwerkingsverbanden betreffende de politiek en de veiligheid door de instelling van een gemeenschappelijk gebied van vrede en stabiliteit; ten tweede een economische samenwerking door het creëren van een gebied van gedeelde welvaart; en ten derde samenwerkingen op het sociale, culturele en humane vlak, door de ontwikkeling van human resources, en het promoten van wederzijds begrip tussen culturen en uitwisselingen tussen civiele gemeenschappen. Ten tijde van de Barcelona Declaratie bestond de Europese Unie uit vijftien lidstaten – nu zijn ze met vijfentwintig –, en waren er twaalf ‘landen’ vanuit Mediterrane hoek bij betrokken (Marokko, Algerije, Tunesië; Egypte, Jordanië, Israel, De Palestijnse Autoriteit, Libanon, Syrië; Turkije, Cyprus en Malta). Op dit punt aanbeland, moeten we nu een aantal kanttekeningen plaatsen bij deze samenstelling van het Euro-Mediterraan Partnerschap. Ten eerste waren in het Euro-Mediterraan Partnerschap steeds alle landen van de Europese Unie betrokken, en niet enkel diegene die aan het Mediterraan Gebied grensden. Bijgevolg had Finland, formeel gezien, vanaf het begin evenveel aandeel in het Barcelona Proces als Spanje; en landen die slechts recentelijk tot de Europese Unie toetraden, zoals Estland of Polen, worden eveneens verondersteld aan het Barcelona Proces deel te nemen. Ten tweede zijn Malta en Cyprus, eertijds Mediterrane partners, sinds de uitbreiding van de Europese Unie in 2004, als Europese lidstaten van kant gewisseld. Ten derde is Turkije zowel een uitgebreid bediscussieerde kandidaat-lidstaat, als een feitelijk Mediterrane partner. En ten vierde zijn landen zoals Kroatië (een kandidaat-lidstaat), Bosnië, Servië en Montenegro, de Voormalig Joegoslavische Republiek Macedonië en Albanië, blijkbaar niet betrokken bij het Barcelona Proces. Misschien wil men een duidelijke scheiding aanbrengen tussen de Middellandse Zee en de Adriatische Zee, maar dat lijkt niet echt zinvol. Voor één of andere reden lijkt de Europese Unie veel nerveuzer aangaande het opnemen van het vroegere ‘slagveld’ Joegoslavië, en de manier waarop het in feite verdeeld is in nationale territoria onder de vorm van een partnership, dan, laten we zeggen, Israel en de Palestijnse Autoriteit, waar het conflict vandaag de dag nog steeds aansleept. Een mogelijke uitleg zou kunnen zijn dat de Europese Unie meent dat op een dag alle Joegoslavische republieken volwaardige lidstaten zullen worden, en dat hen nu opnemen in de Euro-Mediterraan Partnerschap onnodige en contraproductieve twijfels zou doen rijzen over de welwillendheid van de Europese Unie om hen volwaardig op te nemen. Terzelfdertijd mag men nooit vergeten dat landen gesitueerd op het Europese continent volledig vrij zijn om geen Europese lidstaat te worden. Het is de souvereine beslissing van een land om een deel van zijn souvereiniteit op te geven om een Europese lidstaat te worden. Maar zoals men weet, limiteert Art. I, 1.2 van het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa – dat na de resultaten van de Franse en Nederlandse referenda over dit thema hoogstwaarschijnlijk niet zal overgenomen worden – deze opportuniteit tot “Europese staten”. En zelfs al twijfelen sommigen eraan of Turkije een Europese staat is, het is duidelijk dat voor alle andere Mediterrane partners het Euro-Mediterraan Partnerschap en het Barcelona Proces gaan wegwijzer zijn naar het volwaardig Europees lidmaatschap. In deze zin zou een Euro-Med cynicus het argument naar voren kunnen schuiven dat Euro-Med taalgebruik niets meer is dan een vriendelijke manier om de ander uit te sluiten. Turkije buiten beschouwing gelaten, zal het Europees lidmaatschap immers geen optie zijn voor de andere Mediterrane partners. De retoriek van vriendschap, die het Euro-Med discours sterk karakteriseert, kan geïnterpreteerd worden als een subtiele manier om een blijvende uitsluiting te verzekeren. Meer zelfs, een Euro-Med cynicus zou kunnen stellen dat het Euro-Mediterraan Partnerschap bedoeld is als een vorm van samenwerking, maar dan op dergelijke manier dat men in de mogelijkheid is om op een efficiëntere manier mensen uit deze Mediterrane landen, die het Europees territorium willen betreden, uit te sluiten. Ik meen dan ook dat we niet naïef moeten zijn over de manier waarop het Euro-Mediterraan Partnerschap en sommige van zijn programma’s potentieel gekaapt kunnen worden door de verdedigers van Fort Europa. Maar dit is geen onomkoombaar politiek lot. De Europese publieke opinie zou zich immers bewust moeten zijn van het bestaan van de formele Euro-Med omkadering en haar potenties, opdat Fort Europa opengebroken kan worden. “Fort Europa” is ondertussen een alomtegenwoordige slogan, maar de critici van het Europese beleid zouden ook een nauwlettende blik moeten werpen op Europese processen, projecten en programma’s, die ambivalent zijn en nog steeds elke kant uit kunnen. Ik geloof er sterk in dat het Euro-Mediterraan Partnerschap waarschijnlijk het meest veelbelovende politiek instrument is om tot een confrontatie met Fort Europa te komen, zelfs al zagen de ontwerpers ervan het Euro-Mediterraan Partnerschap eerder als een retorisch devies om Fort Europa net te verdedigen. Een analyse van het Euro-Med discours zou sommige van zijn meest flagrante contradicties kunnen ontmaskeren. Het leunt erg dicht aan bij een politiek van vrijemarkteconomie, terwijl het terzelfdertijd voor mensen van niet-Europees Mediterrane landen steeds moeilijker wordt om de Europese Unie te betreden. Menselijk kapitaal blijkt niet dezelfde vrijheid toegedicht te zijn als financieel kapitaal. We zouden dus moeten eisen dat de Europese Unie, in de naam van vriendschap, zo toegankelijk mogelijk is voor de burgers van de Mediterrane partnerlanden. Ten tweede zou de Europese Unie de omkadering van het Euro-Mediterraan Partnerschap veel nadrukkelijker en zichtbaarder moeten gebruiken, zodat ook haar visie op de Palestijnse kwestie meer gewicht krijgt. Het Euro-Mediterraan Partnerschap zou even bekend moeten zijn als de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. Ooit werd het Noord-Atlantisch Gebied beschouwd als een regio. Dit was zo omwille van duidelijk ideologische redenen. Dit was het Westen, de “Free World". Vandaag de dag is het veel belangrijker om allianties te bewerkstelligen langsheen de Oost-West scheidingslijn en de Noord-Zuid sheidingslijn. Gezien de Verenigde Staten in maart 2003 unilateraal besliste om de oorlog tegen Irak aan te vangen, en dit ondanks de wereldwijde protesten die de grootste en meest impressionante uit de wereldgeschiedenis zijn, durf ik te zeggen dat de Alliantie niets anders rest dan zijn ontbinding. De huidige generatie Europese politieke leiders zal, zoals te verwachten, trachten om de goede relaties met de Verenigde Staten te herstellen, zelfs nu George W. Bush – een voor hen uiterst controversiële president – herverkozen is. Maar een toekomstige generatie politieke leiders is zo gefrustreerd over het unilateralisme van de Verenigde Staten in de Irakese oorlog, dat ik meen dat ze het gebied van de Koude Oorlog, dat het Noord-Atlantisch Gebied is, de rug zullen toekeren, en zich zullen richten naar het Mediterraan Gebied. Deze ontwikkeling zal ook aangespoord worden door het feit dat een groeiend percentage van Europa’s jongere bevolking van Mediterrane origine is. Reeds vandaag de dag is ‘Mohammed’ de meest populaire naam voor jongens die in Brussel geboren worden. Met Brussel als mijn woonplaats, kan ik enkel het feit bevestigen dat mijn stad, die nu toevallig ook de hoofdstad van Europa is, meer en meer Mediterraan wordt. Het zou nog steeds een geschikte hoofdstad zijn voor de Euro-Mediterrane Unie. Daar, ik heb het uitgesproken: “de Euro-Mediterrane Unie”. Zou dit niet ons grote politieke project moeten zijn? Ik denk het wel. De Noord-Atlantische Verdragsorganisatie is een leeg omhulsel geworden vanaf het moment dat sommige van zijn meest machtige leden niet meer geloofden in het grondbeginsel dat men naar de letter van het Verdrag moet handelen. Het lijkt immers inderdaad zo, dat de Verenigde Staten niet echt de ‘primordiale verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad voor het behoud van internationale vrede en veiligheid’, zoals gevraagd door Artikel 7 van het Noord-Altantisch Verdrag, erkent. Vanaf het begin van de strijd tegen de oorlog in Irak, ben ik ervan overtuigd geweest dat het roekeloze buitenlandse beleid van de Bush administratie een bedreiging voor Europa’s veiligheid zou vormen. 11/3 en 7/7, de bomexplosies in Madrid en Londen, zijn reeds het tragische bewijs van deze overtuiging. Ik geloof dat Europa over zijn veiligheid zou moeten waken, maar dan niet noodzakelijk zoals Tony Blair het ziet, namelijk door het officialiseren van een Echelon project gefinancierd met Europees geld, dat oorspronkelijk ontworpen was als spionagesysteem om een ernstige bedreiging tegen de belangen van het Verenigd Koninkrijk tegen te gaan, een bedreiging die namelijk Europa zelf was. Dit is echt het op de spits drijven van de Britse ironie. De veiligheid van Europa vraagt om een breuk met de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten. Het is mijn overtuiging dat het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten de Europese Unie niet langer als een bondgenoot ziet, maar als één van zijn voornaamste mededingers naar de hegemonie. En ik meen dat de Europese Unie niet bevreesd zou moeten zijn om hegemonisch te worden. Het is de hoogste tijd dat senior Europese functionarissen en politici ook het hoofd willen bieden aan deze geopolitieke realiteit, in plaats van elke kritiek op de Amerikaanse buitenlandse politiek te stigmatiseren als primitief anti-Amerikanisme. Natuurlijk vraagt het geloof in het Mediterraan Gebied dat de Mediterrane partners zo welwillend zijn om eerder de Europese Unie, in plaats van de Verenigde Staten, te beschouwen als een uitdrager van vrede, en democratische en humanitaire verandering. Het is immers zo dat, als de Mediterrane en Arabische wereld het zouden willen, en als de Europese Unie bereid zou zijn om het te accepteren, de Europese Unie een leidende rol zou kunnen spelen op het toneel van de wereldpolitiek, en dit vanaf vandaag. Je hebt twee partijen nodig om een nieuwe hegemonie te vestigen, en de alliantie tussen het Mediterraan Gebied en Europa zou de sleutel tot deze nieuwe hegemonie kunnen zijn, namelijk een hegemonie die beschavingen niet als essentieel conflictueus zou beschouwen, maar als mogelijkheden tot dialoog. De Euro-Mediterrane Unie zou de politieke institutie van die dialoog kunnen zijn. En ik verwelkom alle instituties , zoals de Euro-Mediterrane Stichting en het Euro-Mediterraan Parlementair Forum, die reeds vandaag de grondslagen kunnen leggen voor de installering van de Euro-Mediterrane Unie van morgen. |
||||