NL FR EN  

Editoriaal

Over de Wereldhoofdstad van de Paradoxen

Dieter Roelstraete



Het strategische besluit van de curatorentandem Charles Esche-Vasif Kortun om het tentoonstellingsparcours van de recentste biënnale van Istanbul, die op 16 september haar deuren opende en nog tot eind oktober kan bezichtigd worden, categorisch in het ‘westerse’, meest ‘moderne’ stadsdeel van Istanbul te concentreren – of, nog bouder gesteld: in het meest commerciële stadsdeel, het zakelijk-economische hart van de stad aan de Bosporus – zal in de komende decennia ongetwijfeld geboekstaafd komen te staan als de zet die zowel de biënnale op zich als Istanbul in zijn geheel in de verbeelding van het ‘westerse’ (lees: Atlantische) culturele establishment van de folklore, de exotisering en de oriëntalistische kitsch redde.
Waar de vroegere edities van deze nog jonge periodieke kunstmanifestatie zich veeleer voorspelbaar tot de platgetreden paden van Istanbuls florissante toeristische industrie beperkten – kunstwerken in en op historische sites zoals de Aya Sofya, het onderaardse waterreservoir Yerebatan, de musea en monumenten van Sultanahmet, de historische wijk van Istanbul waarin ook het Topkapi-paleis gelegen is – trekt de negende biënnale van Istanbul, die zichzelf laconiek de ‘titel’ “Istanbul” toe-eigent, en daarmee niets anders wil zijn dan een stadstentoonstelling als tentoonstelling over een stad, resoluut noordwaarts, over de Galata-brug die de Gouden Hoorn overspant, naar Beyoglu, Cihangir, Galata, Pera, Taksim, naar Istanbuls zelfbewust ‘Europese’ gezicht.
Deze troepenbeweging verraadt de realiteitszin, Realpolitik of eenvoudigweg de ‘eerlijkheid’ van een artistiek project dat zich geen illusies maakt over de economische verankering van alle kunst en cultuur in een jonge, nog in volle ontwikkeling verkerende metropolitane micro-economie als die van Istanbul, een bedrijvig, alsmaar denser wordend knooppunt in de relatieve periferie van het netwerk der globalizering. [1] Beyoglu, een stadsdeel dat vooral bekendheid geniet om ‘zijn’ Istiklal Caddesi – de Meir, Nieuwstraat, Kalverstraat of Oxford Street van Istanbul – dat is waar de Istanbullus hun geld komen tellen, deponeren, incasseren en weer uitgeven, waar de banken, flagship stores en hoofdkwartieren van menig internationaal concern zijn gehuisvest; waar Istanbul Modern, het nagelnieuwe museum voor hedendaagse kunst, uit de grond verrijst; waar Starbucks en Zara zijn neergestreken. Op het even vaak verguisde als bezongen Taksim-plein komen afwisselend de ultras van Besiktas, Fenerbahce en Galatasaray hun respectievelijke overwinningen vieren; langs Istiklal Caddesi is het vaak vrij lang en uitputtend speuren naar de hoofddoeken die elders in de stad, in Eminonu en Fatih, en in het Aziatische stadsdeel Üsküdar, het straatbeeld juist domineren. Beyoglu, dat is ook waar in de tweede helft van de negentiende eeuw het Dolmabahce-paleis werd gebouwd, de thuishaven van het Ottomaanse sultanaat eens hun Topkapi ‘onbewoonbaar’ – achterhaald, middeleeuws, despotisch, anachronistisch – werd verklaard, en het onwaarschijnlijke toneel van Mustafa Kemal Atatürks doodsstrijd in 1938: hier flakkert de waakvlam van het seculiere Turkije, het Turkije dat Orhan Pamuk zo treffend weet te karakteriseren in zijn recentste Istanbul – Memories of a City, het Turkije dat van Europa droomt, nog steeds of opnieuw – en het Turkije waar Europa op haar beurt dan zélf weer van droomt als het niet wordt belaagd door de even koppige ‘nachtmerrie’ – een fantoom dat niet zelden enkel maar in die paranoïde Europese verbeelding onderdak vindt – van dat andere, ‘Aziatische’ Turkije.

Deze biënnale van Istanbul, een biënnale die het Istanbul van nu, morgen en het allerrecentste verleden wil opzoeken, global city Istanbul, modern, postmodern, urbaan en metropolitaan, vormt de aanleiding voor het huidige AS-nummer. Uit wat we hierboven reeds te kennen gaven, blijkt dat een dergelijke ‘special’ onvermijdelijk ook het huidige EU-debat over het al dan niet toetreden van Turkije tot de Europese Unie moet aankaarten. Hoewel deze biënnale van Istanbul geenszins een expliciet pleidooi wil zijn voor een exclusief ‘Europees’ Turkije dat het Anatolische hinterland of de immense ‘Aziatische’ massa liever kwijt dan rijk is – oorspronkelijk droomden Esche en Kortun zelfs van een biënnaleparcours dat zich uitsluitendin Üsküdar zou ontvouwen, maar dat bleek economisch eenvoudigweg niet haalbaar “omdat het de Aziatische zijde van Istanbul aan voldoende potentieel kunstpubliek zou ontberen” – impliceert de bewuste keuze voor een tentoonstellingstraject in Beyoglu en onmiddellijke omgeving natuurlijk een geopolitiek statement dat de Europese angst voor de Turkse ‘ander’ wil bezweren, of toch minstens wil documenteren en/of problematizeren.
Natuurlijk vormt het geografische spektakel van Istanbuls wonderlijke ligging – aan weerszijden van een zee-engte die reeds eeuwenlang wordt bestempeld als het natuurlijke bruggenhoofd tussen Europa en Azië, als de plek waar beide continenten elkaar ontmoeten en tegelijk ook aan hun zogeheten ‘verschillen’ worden herinnerd – het gedroomde voorwendsel voor een dergelijk debat over het ‘westerse’ karakter van Turkije en over de moderniteit van zijn grootste metropolitane massa. Hoe ‘onwetenschappelijk’ de discussie over deze tectonische schizofrenie ook mag zijn – Istanbullus houden er doorgaans niet van hun stad in een ‘Europese’ en ‘Aziatische’ helft opgedeeld te zien, maar wie vanuit het ‘Europese’ kwartier Besiktas de Bosporus-brug oversteekt wordt aan de overkant wél in de armen gesloten door een gigantisch bord dat enthousiast “Welcome to Asia” uitschreeuwt – toch kan de ‘vraag’ van Istanbuls moderniteit (secularisme, kapitalisme, global brands, wolkenkrabbers, hedendaagse kunst) zoals die in dit AS-nummer gedeeltelijk aan de orde wordt gesteld, niet worden losgedacht van de dieperliggende vraag naar de grenzen van het Europese ideaal, en naar de politiek-ideologische flexibiliteit van die grenzen ten aanzien van een aantal geopolitieke problemen of uitdagingen die ten dele (en altijd gemakshalve) ‘Aziatisch’ worden gedacht. In zekere zin willen zowel dit AS-nummer als de negende biënnale van Istanbul deze conjunctuur van geopolitieke verwikkelingen aan de orde stellen, juist door nader in te gaan op de casus van die ene demografische snelkookpan waarin deze verwikkelingen elkaar op een haast paradigmatische manier treffen en wederzijds beïnvloeden: de ‘Euraziatische’ miljoenenstad Istanbul. Istanbul is Europa én Azië, Ottomaans imperialisme, seculier Turkije én de grootste islamitische stad in Europa; pre- én postmodern, global village vol couleur locale én generische stad; democratisch én theocratisch bolwerk; even hedendaags als tijdloos, even bijdetijds als futuristisch, even zeitgeistgevoelig als archaïsch. Juist daarom is Istanbul ook de plek die op de meest dramatische wijze gestalte geeft aan de spanning tussen de twee, klaarblijkelijk diametraal tegenover elkaar opgestelde visies omtrent de Europese identiteit (en het project van de Europese ‘gebiedsuitbreiding’ als dusdanig) waarrond de kwestie over het toekomstige Europese lidmaatschap van Turkije in zekere zin draait: de nogal absolutistisch redenerende territoriaal-geografische visie die Europa graag wil doen ophouden aan haar (volkomen arbitrair bepaalde) ‘natuurlijke’ grenzen – de Oeral in het oosten en de Grieks-Bulgaars-Turkse grensstreek in het zuidoosten, symbolische Maginot-linies die van een overwegend ‘blank’, Christelijk of hooguit ontkerkt Europa dromen – en de tot geo-relativering neigende politieke visie die onder ‘Europa’ in de eerste plaats een idee begrijpt waarvan parlementaire democratie, vrije markteconomie, scheiding van kerk en staat en een zeker humanisme de voornaamste bouwstenen vormen – een idee die vanzelfsprekend evengoed post kan vatten aan de kusten van de Stille Oceaan of in Sub-saharaans Afrika, als in de eng-Europese archipel van poldermodellen en third ways.
Beide voorstellingen van Europa moeten vroeg of laat het ‘raadsel’ van Istanbul, wereldhoofdstad van de paradoxen, zien op te lossen.

Over alle voornoemde en vele andere contrasten, contradicties, dilemma’s en nuances handelen onder meer de bijdragen van Mehmet Baris, Sarah Bracke, Asli Cicek & Murat Belge, Bert De Muynck, Kersten Geers, Dieter Lesage, Hans Ulrich Obrist & Orhan Pamuk. [2]
Kortom: de intussen vertrouwde cocktail “Turks fruit” van politieke en cultuurpolitieke reflecties, stedenbouwkundige bespiegelingen, gesprekken met historisch goed geïnformeerde ‘cultuurproducenten’ en algemeen beeldculturele essays. Met als enige significante verschil, uiteraard, dat AS voor deze internationale gelegenheid – AS zal bij wijze van globale première ook in het biënnaleparcours in Istanbul zelf terug te vinden zijn, met name in de voor deze biënnale bijzonder belangrijke Hospitality Zone – integraal Engelstalig gaat.
Een uiterst belangwekkende strategische beslissing die hoofdredacteur, redactieraad en gelegenheidsredactie natuurlijk niet na één luttele nacht ijs hebben getroffen, maar slechts na lang wikken en wegen in het huidige AS-nummer kon worden ‘verzilverd’. Een doorslaggevende factor was niet enkel het internationale kader waarin dit themanummer opereert – een gesprek dat in grote mate wordt gevoerd door auteurs die de Nederlandse taal niet machtig zijn, maar er desalniettemin de voorkeur aan hebben gegeven dit gesprek ‘hier’ te voeren, in de kolommen van AS – maar ook het verlangen en de ambitie van AS’ vaste en gelegenheidsredacteurs om in dit internationale kader de aandacht te vestigen, op welke bescheiden schaal dan ook, op denkwerk “van eigen bodem”, of op denkwerk dat mede door denkkaders “van eigen bodem” kon worden gegenereerd. Dat deze internationale ambitie en haar internationalistische gelegenheidsstunt mee werden geïnspireerd door een kosmopolitisch fenomeen als Istanbul, de wieg van de globalisering in prehistorische zin, mag dan ook de logica zelve heten; dat AS voor deze ene keer uit zijn vertrouwde biotoop van een Nederlandstalig lezerspubliek treedt (dit uiteraard in de hoop deze biotoop te verbreden, en niet zomaar te negeren), legitimeren we dan ook graag als een eerbetoon aan datzelfde Istanbul, dat we vanzelfsprekend wat graag in voornoemd gesprek wilden betrekken. AS wijdt het huidige nummer 175 in letterlijke zin aan “Global City Istanbul”.
Het trouwe Nederlandstalige lezerspubliek dat met recht en reden zal opmerken dat er sowieso al intellectueel zo weinig valt te beleven in het Nederlandse taalgebied, en daarin terecht een reden aanstipt om AS’ toewijding ten overstaan van een kritisch discours in de eigen taal boven alles veilig te stellen – een toewijding die zeker zal blijven bestaan – wordt natuurlijk geenszins vergeten: de ei zo na integrale Nederlandse vertaling van AS175 vindt deze trouwe lezer terug op de AS-webstek www.muhka.be/AS.



NOTEN

1. In de premature, uiterst wankele wetenschap der global cities zoals deze door
GaWC (Globalization and World Cities Study Group & Network) wordt beoefend opereert Istanbul vooralsnog als in de minor league der “4 point gamma world cities”, samen met steden als Atlanta, Barcelona, Buenos Aires en Kuala Lumpur. Met zijn 11.322.000 inwoners – aldus een officiële, in juli dit jaar afgeronde telling – geldt Istanbul momenteel als de 22ste grootste stad ter wereld; meer of minder optimistische schattingen – veel hangt natuurlijk af van het bio- of cultuurpolitieke perspectief van de teller – gaan uit van een veel hoger inwonersaantal, en rekenen Istanbul dienovereenkomstig tot het selecte kransje megalopolen dat wordt voorgezeten door Tokyo en gefrequenteerd door Caïro, Mexico City, Mumbai en Sao Paulo.
2. In een onderscheiden insert in deze AS, een “special-within-a-special” gewijd aan Time Suspended van Herman Asselberghs, Els Opsomer en Pieter van Bogaert, en AM/PM van Herman Asselberghs, staat een heel ander grensgeschil centraal – dat tussen Israël en Palestina. Dat in dit onoplosbaar lijkende conflict in zekere zin opnieuw de vermeende absoluutheid van culturele, politieke én geografische of topografische grenzen wordt gethematiseerd – net zoals dit het geval is in de ‘Euraziatische’ discussie die in Istanbul symbolisch op de spits wordt gedreven – leek ons echter voldoende reden om deze insert en zijn sub-thema in het huidige, in hoofdzaak aan Istanbul gewijde AS-nummer onder te brengen. Met bijzondere dank aan de kunstenaars.