Van Antwerpen naar Luik: de MesuRAGEs opnieuw bekeken
ORLAN voerde in 1980 voor het eerst een MesuRAGE uit in het International Cultural Centre in Antwerpen en keerde in 2012 terug naar Antwerpen voor een nieuwe performance in het Muhka. Sinds ze in 1968 met de MesuRAGE-reeks begon, gebruikt ze haar eigen lichaam zowel als artistiek materiaal als meetinstrument om de afmetingen van een plek in lichaamslengtes te bepalen. Het ICC telde 41 ORLAN-lichamen, terwijl het Muhka 74 keer telde. Onderzoeker Annosh Urbanke sprak met ORLAN in Parijs over de context van haar performances in Antwerpen en Luik, de rol van het publiek en de aanwezigheid van het lichaam en van arbeid in haar werk.
Interview met ORLAN door Annosh Urbanke, 4 december 2025
Annosh Urbanke: De performance in het Muhka was een van je laatste MesuRAGEs. Ze vond 32 jaar na je eerste MesuRAGE in Antwerpen plaats, die je uitvoerde tijdens je solotentoonstelling in het Internationaal Cultureel Centrum (ICC). Welke conclusies trek je uit deze reeks performances door de jaren heen?
ORLAN: Voor kunstenaars blijft het altijd relevant om zich te meten met de instelling die hen bekendheid geeft — of die hen verplettert door hen in de schaduw te laten — zeker voor vrouwen.
A: Hoe zie je de rol van het publiek in de MesuRAGEs?
O: Ik ben altijd erg aandachtig voor het publiek en in mijn performances is er altijd ruimte voor interactie. De relatie met het publiek in de MesuRAGEs evolueerde sterk door de jaren heen. De beloningen waren niet dezelfde bij de metingen op straat als bij die in instellingen.
Ik begon performances te doen op straat, waarbij ik mijn “prosésies” en mijn “peauaimes” voorlas, maar vanaf 1964 ook met een performance getiteld Action OR-Lent: Slow Walks. Ik voerde deze wandelingen uit in de straten van Saint-Étienne, Toulon, Marseille, Nice, Avignon, Firminy… Deze vroege performances markeren het begin van mijn gebruik van mijn lichaam in de publieke ruimte als een artistiek en geweldloos verstorend gebaar — als actie, zelfs activisme. De straat werd een ruimte voor expressie en creatie.
Ik kwam tegenover voorbijgangers te staan die een nietsvermoedend publiek werden. De reacties konden erg uiteenlopen: verbazing, nieuwsgierigheid, amusement, soms onbegrip of zelfs afwijzing. Die onvoorspelbaarheid maakte integraal deel uit van de performance. Het publiek was niet alleen toeschouwer; vaak werd het, zonder het zelf te beseffen, ook een actor, omdat zijn aanwezigheid, blikken, opmerkingen of bewegingen de situatie veranderden. Op straat kreeg de performance vorm door directe en onmiddellijke ontmoetingen met de aanwezige mensen.
A: Was dat anders dan in een institutionele context?
O: Institutionele performances werden in opdracht gemaakt en geprogrammeerd, en vonden plaats voor een geïnformeerd publiek — mensen die gevoelig zijn voor kunst en min of meer wisten wat ze zouden zien. De relatie met het publiek is daar anders: de aandacht is meer geconcentreerd, de blik beter voorbereid, maar soms ook afstandelijker.
In deze institutionele contexten probeerde ik de mogelijkheid tot uitwisseling en participatie te behouden die op straat vanzelf bestond. De MesuRAGEs nodigen het publiek vaak uit om betrokken te raken: door de nabijheid van lichamen, door beweging in de ruimte, door het bewustzijn van de handeling van het meten. Het publiek wordt dan zowel getuige als partner in het proces.
A: In 2012 voerde je een MesuRAGE uit tijdens je tentoonstelling in het Muhka in Antwerpen. Naast Bart De Baere en Flor Bex, die je hadden uitgenodigd, nodigde je ook Marina Abramović, Barbara Koenig, Guillaume Bijl en Jan Fabre uit als getuigen van het tellen. Waarom koos je precies deze mensen, en hadden ze in die context specifieke rollen?
O: Ik vond het belangrijk om twee kunstenaars als getuigen te hebben, dus koos ik Guillaume Bijl en Jan Fabre, met wie ik vaak had samengewerkt. Mijn goede vriendin Barbara Koenig, een architect in Antwerpen, was er ook, net als Marina Abramović, die voor een performance in de stad was.
A: De MesuRAGEs die je in 1980 in Luik uitvoerde, leken explicieter activistisch dan je eerdere MesuRAGEs in musea. Was dat een bewuste verandering vanwege de situatie?
O: Ik voerde de meting van Place Saint-Lambert in Luik uit. Op dat moment was het plein volledig afgebroken en was het niets meer dan een enorm gapend gat midden in de stad, zonder project voor heropbouw. Een vereniging die campagne voerde voor de heropbouw nodigde me uit, via Cirque Divers, een kunstcentrum onder leiding van Michel Antaki.
Deze keer mat ik het plein op een volledig andere manier. Ik gebruikte de graafmachines die het hadden verwoest en werkte samen met de arbeiders op de bouwplaats. Ik wilde niet door de modder en het vuil van de bouwplaats rollen, omdat het werk dan anders gelezen zou worden. Elke dag bracht een graafmachine me naar de etappe van die dag, wat een opvallend beeld opleverde van mij terwijl ik in zijn “metalen kaak” werd vervoerd. Zodra ik op de aangewezen plek aankwam, begon ik met de meting. De arbeiders legden houten planken voor me neer zodat ik vooruit kon bewegen en meten zonder vuil te worden. Vervolgens werd in aanwezigheid van getuigen geteld hoeveel ORLAN-lichamen het plein en de bouwplaats bevatten.
Op de derde dag werd ik tegengehouden door de burgemeester: ik mocht de performance niet voortzetten. Uiteindelijk was dat geweldig, want daardoor haalde het de krantenkoppen en kwam de organisatie die campagne voerde in de schijnwerpers.
A: Je werk toont ook de vaak onzichtbare arbeid achter het kunstwerk — van het wassen van de schort na een MesuRAGE tot de teams die betrokken waren bij de chirurgische performances. Waarom wilde je dit delen?
O: Ja. Ik laat zien dat het werk niet alleen een resultaat is, maar ook een proces van uitwerking. Het tonen van de arbeid en het proces maakte volledig deel uit van de performance. Het ging om het creëren van “sporen” van de performance — foto’s, video’s, kunstwerken en materiële objecten — die bedoeld waren om later te worden getoond. Het zichtbaar maken van elementen achter de schermen (zoals het chirurgische team of het wassen van een jurk), die in de kunst vaak verborgen blijven, was een bewuste en centrale keuze in de betekenis van het werk.
Wanneer je een performance maakt, maak je eigenlijk twee werken: de performance zelf en de getuigenissen die eruit voortkomen en op zichzelf werken worden, vaak foto’s en video’s. Performances bewegen richting verdwijning en vergetelheid als dit werk niet wordt gedaan.
Voor de MesuRAGEs stelde ik de stalen, de verslagen, foto’s en video’s tentoon, evenals gedenkplaten en werken in de vorm van edities. Voor de performances met chirurgische operaties maakte ik video’s, foto’s, tekeningen met mijn bloed en vingers, reliekhouders met mijn vet en vlees, soorten “heilige lijkwaden” gemaakt met mijn opgedroogde bloed en medisch gaas van de operatie, waarop ik fotografische beelden van mijn gezicht overbracht, en objecten die later in musea en galeries werden tentoongesteld.
A: Meer algemeen, hoe ervaarde je het artistieke klimaat in België in 1980?
O: Het was erg actief en zeer ondersteunend. De menselijke omgeving was heel open en heel vriendelijk, en er waren uitstekende kunstenaars: Guillaume Bijl, Jan Fabre, Eric Duyckaerts, Marie-Jo Lafontaine, Panamarenko, Lili Dujourie, Jacques Charlier.